WWII: Rijkswerkkamp, De Rips (verdwenen)

Inhoud

  • 1 Bonte stoet bewoners rijkswerkkamp
    • 1.1 Samenvatting
    • 1.2 Werkverschaffing
    • 1.3 Werkverschaffingkamp
    • 1.4 Amsterdammers
    • 1.5 Chinezen
    • 1.6 Handelaars
    • 1.7 Opstand der Chinezen
    • 1.8 Niet vloeken
    • 1.9 Pastoor Smeets
    • 1.10 Tuberculose
    • 1.11 Vertrek van de Chinezen
    • 1.12 Britse bezetting
    • 1.13 Canadezen in het Ripse kamp
    • 1.14 Kerstmis met de Canadezen
    • 1.15 Opnieuw in Nederlandse handen
    • 1.16 Opnieuw militairen¬†?
    • 1.17 Oorlogsvrijwilligers of N.S.B-ers in het kamp
    • 1.18 Oorlogsvrijwilligers
    • 1.19 Naar Nederlands-Indi√ę
    • 1.20 Dienstplichtigen
    • 1.21 Gaffels, Rieken en Feesten
    • 1.22 Het voorlopig einde van het Kamp
    • 1.23 Dienstweigeraars
    • 1.24 Noten

Samenvatting

Rijkswerkkamp De Rips, in de volksmond het ?128;˜Chinezenkamp?128;™ genaamd, werd gebouwd vanaf eind 1940 en was aanvankelijk bedoeld voor de opvang van werkelozen die te werk gesteld werden vanuit de Rijksdienst voor de Werkverruiming. (niet te verwarren met D.U.W. Dienst Uitvoering Werken).Het bestond uit houten gebouwen, zoals woning met grote keuken en bijbehorende berging, grote kantine en 4 stuks woon-slaapbarakken met een 12 tal open latrines. Er konden 192 personen gehuisvest worden. In 1941 werden er ca 120 Chinese Bootsmannen in ondergebracht die vanuit de geblokkeerde haven van Rotterdam niet meer konden uitvaren. Zij werden te werkgesteld in de Ripse bossen en ontginningen in de Peel. Op het eind van de oorlog was het een commandopost en veldhospitaal van de Engelse land en luchtmacht. Na de oorlog was het een opleidingskamp voor O.V.W.-ers.(oorlogsvrijlligers) Zij genoten hier basisopleidingen om uitgezonden te worden naar Nederlands Indie. Kortom de bonte stoet van bewoners was nog veel langer. Dit kunt u hieronder lezen, of u kunt de kortere infopaneelversie bekijken.

Replica van de toegangspoort met het infopaneel met uitleg

Door: Bernard Ploegmakers en Ruud Wildekamp

Werkverschaffing

De Rips. Het Rijkswerkkamp gedurende de Tweede Wereldoorlog.

In de jaren dertig van de vorige eeuw heerste er grote werkeloosheid onder de bevolking van ons land. Om zichzelf en zijn gezin toch van een klein inkomen te verzekeren was een werkeloze op een uitkering aangewezen. Hij diende zich dan wel dagelijks te melden op het kantoor Sociale Zaken van zijn gemeente. Als bewijs dat hij zich had gemeld kreeg hij een stempel op zijn werkelozenkaart. Een volle kaart gaf recht op een uitkering van elf gulden per week. Een werkloze kon worden aangewezen voor een tewerkstelling in het kader van een werkverschaffingsproject. Doorgaans bestond dit uit ongeschoold spit- en graafwerk. De werkelozenuitkering verviel dan maar de werkeloze ontving daarvoor een loon voor de geleverde prestatie. Dit kon oplopen tot ongeveer achttien gulden per week. Door bezuinigingsmaatregelen van de regering Colijn werden, in het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw, de werkelozenuitkeringen sterk verlaagd. In de zomer van 1934 leidde dit in Amsterdam tot het zogenaamde Jordaanoproer waarbij vijf doden vielen. Ter compensatie konden gemeenten bij het Ministerie van Sociale Zaken subsidie aanvragen voor locale werkverschaffingsprojecten. Daarop werden dan de plaatselijke werkelozen geplaatst en soms werkelozen uit een naburige gemeente. Een gemeente kon, bij een tekort aan eigen werkelozen, een verzoek indienen bij het Ministerie van Sociale Zaken om een gemeentelijk project om te zetten tot een centraal werkverschaffingsproject gesubsidieerd door het rijk. Ook projecten van bedrijven of particulieren konden hiervoor in aanmerking komen. Dat betekende dat werkelozen van buiten de gemeente