Archeologische opgraving: Kapelakker, Milheeze

Versterkte middeleeuwse nederzetting

Milheeze. Op de Kapelakker opgraving is onder meer een weg van zo'n 1000 jaar oud gevonden, die waarschijnlijk door de Peel naar Limburg liep. Het pad is in de loop van de tijd iets verplaatst maar nog steeds in gebruik.

We wisten dat Milheeze een rijke geschiedenis had en al in 1332 bestond, dan wordt het genoemd in oude documenten. Het wordt dan Milleis genoemd. De naam kan komen van hese, dat betekent struiken, en mil of meijler, dat heeft te maken met plaatsen waar houtskool wordt gemaakt. Maar nu blijkt dat al in de IJzertijd, die liep in Nederland van 800-12 v. Christus er bewoning in Milheeze was. En vanaf het jaar 400 werd Milheeze weer bewoond. Dat is een van de conclusies uit het archeologisch onderzoek van archeoloog Theo de Jong. De belangrijkste vondst was een versterkte nederzetting uit de periode tussen de negende en de twaalfde eeuw. Er ligt volgens De Jong een tijdelijke grenstrekking die overgaat in een palenomheining met misschien een poortgebouw aan de noordzijde. In het zuiden van Nederland lag slechts op één andere plaats een versterkt ?128;™dorp?128;™ zoals dat in Milheeze is gevonden. Dat was in de Eindhovense wijk Blixembosch.

Het Archeologisch Centrum Eindhoven startte eind april 2005 met een onderzoek aan de Rooiweg-Kapelakker. Bij een proefboring in augustus 2004 werden al sporen van bewoning uit de Middeleeuwen aangetroffen. "Het was een heel interessant onderzoek, vooral aan de zuidrand", volgens De Jong. Ruim duizend scherven en sporen zijn er gevonden, waaronder een heel bijzondere vondst: een stukje glaskraal van 2,5 centimeter groot uit de Merovingische tijd (het jaar 400). Die worden maar zelden teruggevonden, glas was een duur luxeproduct.

Ook een karrenspoor uit de tijd van 1050-1200 was duidelijk te zien bij de afgraving. Dit karrenspoor was een van de weinige doorgangswegen door de Peel naar het oosten, richting Venray. Ook zijn er vele paalsporen ontdekt, onder andere een gebouw in de vorm van een boot, woonboerderijen en bijgebouwtjes waar granen bewaard werden. Verder werden enkele waterputten gevonden die voorkomen tot het einde van de elfde eeuw. Het gedeelte waar de onderzoekingen hebben plaatsgevonden, is zeker bewoond geweest tot het jaar 1200. Toen zijn de bewoners aan lager gelegen gronden gaan wonen om hoge gronden te gaan gebruiken voor akkerbouw.